Gwen Verhoeven wint W.A. van Es-prijs voor scriptie over menselijke resten in prehistorische nederzettingen
Tijdens de Reuvensdagen 2025 ontving Gwen Verhoeven de prestigieuze W.A. van Es-prijs voor haar researchmasterscriptie. Haar onderzoek werpt nieuw licht op een onderwerp dat decennialang onderbelicht bleef: losse menselijke resten in prehistorische nederzettingen in Nederland.
‘Het gaat om resten uit het Neolithicum tot de IJzertijd. Dat is een periode van 5300 tot 12 v.Chr.’ legt Gwen uit. ‘Sommige daarvan zijn al vijftig jaar geleden ontdekt, vaak in greppels, maar in opgravingsrapporten werden ze meestal summier beschreven. Binnen het onderzoek naar grafrituelen gaat de aandacht vooral uit naar monumentale begravingen zoals grafheuvels en urnenvelden. Uit onderzoek blijkt dat in de Bronstijd slechts vijf tot tien procent van de mensen in grafheuvels werd begraven.’ Gwens scriptie onderzocht waar de rest terecht kwam.
Een intiemere relatie met de dood
Gwen wilde deze losse resten in een bredere context plaatsen. ‘Ik heb gekeken hoe deze menselijke resten onderdeel zijn van prehistorische begravingspraktijken en welke keuzes mensen maakten. De manier waarop menselijke resten werden achtergelaten laat zien dat er een duidelijk patroon ontstaat. Ze werden geplaatst op plekken die scheidingen aangeven: de sociale sfeer ten opzichte van de natuurlijke omgeving, en de wereld van de levenden ten opzichte van die van de doden.’
Haar analyse laat zien dat begraven en deponeren niet altijd direct gebeurde. ‘Deze mensen gingen heel anders om met de dood dan wij. Soms lagen resten dagen, weken of zelfs jaren op het erf voordat ze werden gedeponeerd. Botten werden verplaatst, misschien zelfs rondgedeeld. De relatie met de dood was veel intiemer. Het was niet: ik begraaf je en klaar. Mensen werden jarenlang herinnerd. Dat zegt veel over identiteitsvorming en sociale praktijken.’
Van schedels op staken tot alledaagse resten
In publicaties van de afgelopen decennia kregen vooral spectaculaire vondsten aandacht. ‘Een schedel op een staak, dat soort vondsten. Maar de normale, niet opvallende menselijke resten, zoals dijbenen, losse armen of andere gefragmenteerde botten, kregen nauwelijks aandacht. Daar zat een gat in de kennis.
Gwen onderzocht 83 nederzettingen en analyseerde 470 losse skeletdelen en 42 complete skeletten. ‘Alle data kwam uit opgravingsrapporten van de afgelopen vijftig jaar. Soms was dat puzzelen: een dijbeen in een greppel zonder verdere context. Maar juist die details zijn belangrijk.’
Gedragsveranderingen door de tijd
Veranderde dit gedrag door de eeuwen heen? ‘In het Neolithicum is het lastig om patronen te herkennen, omdat resten vaak ver van nederzettingsstructuren liggen. Tijdens de Bronstijd en IJzertijd zie je duidelijke begrenzingen: we vinden menselijke resten in huisgreppels en nederzettingsgreppels. Dat wijst op bewuste keuzes.’
Een prijs en een podium
Hoe was het om de prijs te winnen? ‘Heel fijn om waardering te krijgen van heel archeologisch Nederland en om meer bewustwording te creëren binnen het vakgebied. De presentatie voor 500 mensen ging goed, en achteraf kwamen veel mensen naar me toe: “Hé, dit zien we in mijn gemeente ook.” Je merkt dat het onderwerp leeft.’
Juryrapport
De jury van de W.A. van Es-prijs was onder de indruk van Gwens scriptie: ‘In haar gedetailleerde en helder geschreven scriptie toont Verhoeven overtuigend aan dat los menselijk botmateriaal dat in de Nederlandse archeologie vaak te snel als ‘contextloos’ wordt beschouwd juist een rijke bron van informatie vormt. Door een sterk theoretisch kader te combineren met een degelijke empirische basis laat zij zien dat deze resten integraal onderdeel zijn van formele begrafenispraktijken. Daarmee biedt het onderzoek de Nederlandse archeologie waardevolle handvatten om deze tot nu toe onderbelichte vondstcategorie zichtbaar te maken.’