Universiteit Leiden

nl en
Studentenwebsite Europe 1000-1800 (MA)

Subsidie voor innovatief archeologisch onderzoek naar diepgelegen prehistorische vindplaatsen

Onderzoeker Nathalie Brusgaard maakt deel uit van een nieuw archeologisch onderzoeksproject dat een subsidie heeft ontvangen van het Reuvens Innovatiefonds.

De Diepte In!

Het project, getiteld De Diepte In! Waarderen van diepgelegen prehistorische vindplaatsen door multiproxy-analyses, richt zich op een belangrijke uitdaging binnen de Nederlandse archeologie: hoe kunnen diep onder het maaiveld gelegen prehistorische vindplaatsen beter worden onderzocht, gewaardeerd en behouden?

'Zeer oude, prehistorische vindplaatsen bevinden zich soms wel zeven meter onder het maaiveld. Traditionele opgravingen zijn daar vaak niet haalbaar door praktische uitdagingen zoals grondwateroverlast en de grote diepte', vertelt Brusgaard. Ondanks de diepe ligging worden deze locaties wel regelmatig geraakt of verstoord tijdens bouw- en infrastructuurwerkzaamheden.

Bij het onderzoek naar deze diepliggende sites zijn archeologen vaak aangewezen op booronderzoek. Dat levert waardevolle informatie op, maar kent ook beperkingen. Tegelijkertijd groeit de behoefte om archeologische resten zoveel mogelijk in situ te behouden, oftewel op hun oorspronkelijke plek in de bodem. 'Behoud in situ is vaak goedkoper en minder ingrijpend dan opgraven. Maar dan moet je wel weten wat je precies bewaart, hoe je dat het beste kunt doen en hoe je de waarde van zo'n vindplaats kunt uitleggen aan beleidsmakers, ontwikkelaars en het brede publiek.'

Opgraving van de diepgelegen Laat Mesolithische vindplaats Hardinxveld-Giessendam De Bruin in 1998. Dit soort diepgelegen vindplaatsen zijn technisch lastig en kostbaar om op te graven. Multi-proxy onderzoek op boorkernen kan ook waardevolle inzichten leveren. Foto: Leendert Louwe Kooijmans 2001

Nieuwe methoden

Het project wil daarom nieuwe manieren ontwikkelen om diepgelegen archeologische vindplaatsen beter te beoordelen. Onderzoekers gaan verschillende analysetechnieken toepassen op boorkernen die tijdens veldonderzoek worden verzameld.

Door multiproxy-analyses te combineren – waaronder micromorfologie, archeobotanie, landschapsreconstructies en DNA-onderzoek – hopen de onderzoekers veel meer informatie uit bestaande boorgegevens te halen.

'We kijken hoe we met verschillende onderzoeksmethoden dezelfde boorkernen kunnen analyseren. Zo kunnen we vindplaatsen beter in kaart brengen en bepalen wat hun archeologische waarde is en hoe ze behouden moeten worden.'

Sedimentair DNA

Binnen het project is Brusgaard verantwoordelijk voor de sedimentaire DNA-analyse. Dit sluit nauw aan bij haar lopende ERC- en NWO-projecten, waarin zij onderzoek doet naar de overgang van het mesolithicum naar het neolithicum: de periode waarin jagers-verzamelaars geleidelijk plaatsmaakten voor landbouwgemeenschappen.

De casestudy van het project bevindt zich bij Gouda en dateert uit deze belangrijke overgangsperiode.

Sedimentair DNA maakt het mogelijk om genetische sporen uit bodemlagen te onderzoeken. Daardoor kunnen onderzoekers informatie verkrijgen over planten, dieren, mensen, schimmels en bacteriën, zelfs wanneer er geen zichtbare resten zijn achtergebleven.

Boorkernen die onderzocht gaan worden voor het project. Foto: RAAP

Voordelen

'Een van de grote voordelen is dat we aanwezigheid kunnen aantonen zonder dat we botresten of andere zichtbare vondsten nodig hebben. We kunnen bijvoorbeeld zien of er mensen aanwezig waren, maar ook of er gedomesticeerde dieren of landbouwgewassen voorkwamen.'

Daarnaast biedt de methode inzicht in veranderingen door de tijd heen. 'We kunnen onderzoeken hoe vegetaties veranderden, of er aanwijzingen zijn voor brandgebruik en landschapsbeheer, en wanneer menselijke activiteiten of gedomesticeerde dieren hun intrede deden. Daarmee krijgen we een veel completer beeld van hoe mensen hun omgeving gebruikten.'

Vier jaar onderzoek

Het project De Diepte In! heeft een looptijd van ongeveer twee jaar. De onderzoekers hopen dat hun aanpak niet alleen nieuwe kennis oplevert over prehistorische vindplaatsen, maar ook praktische handvatten biedt voor archeologen, overheden en erfgoedbeheerders die dagelijks beslissingen moeten nemen over het behoud van archeologisch erfgoed.

Het project wordt uitgevoerd door een breed consortium onder leiding van archeologisch onderzoeksbureau RAAP. Naast RAAP en de Universiteit Leiden zijn onder meer Saxion, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit Utrecht, MAK Onderzoek en Advies, Missing Link en de gemeentes Gouda en Almere betrokken.

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.