Universiteit Leiden

nl en
Studentenwebsite Mathematics (MSc)

DNA-studie onthult opmerkelijke stabiliteit prehistorische bevolking Lage Landen

De prehistorische bewoners van de Lage Landen volgden duizenden jaren hun eigen koers in vergelijking met de rest van Europa. De uitzonderlijke regio speelde later juist een sleutelrol in ingrijpende Europese veranderingen. Een internationaal team publiceerde deze ontdekking in Nature.

Terwijl elders in Europa grote migratiestromen en snelle genetische veranderingen plaatsvonden, bleef de bevolking in het gebied van het huidige Nederland, België en Noordwest-Duitsland opmerkelijk stabiel. Het onderzoek laat zien dat de Europese prehistorie minder uniform verliep dan vaak wordt aangenomen. Landschap, leefwijze en sociale organisatie speelden volgens de onderzoekers een doorslaggevende rol. Een internationaal team publiceerde op 11 februari de resultaten in Nature.

Landbouw ontstond later

De resultaten zijn opvallend omdat jager-verzamelaars en boeren elders in Europa zich al veel eerder op grote schaal met elkaar vermengden, legt de Leidse archeoloog Quentin Bourgeois uit. Dat gebeurde tussen 8500 en 4000 voor Christus en binnen enkele eeuwen werd de boerenafkomst in grote delen van Europa dominant. Volgens het onderzoek bleef in de Lage Landen het aandeel jager-verzamelaars-DNA tot 3000 voor Christus overheersend.

Het internationale team analyseerde van 112 individuen de skeletresten, daterend van 10500 tot 3700 jaar geleden. Deze mensen woonden in het Rijn-Maasgebied van de Lage Landen, het huidige Nederland, België en Noordwest-Duitsland. Bourgeois: ‘Uit eerder archeologisch onderzoek wisten we al dat landbouw in de Lage Landen pas later op grote schaal ontstond. Ons genetisch onderzoek sluit naadloos aan op het archeologische bewijs.’

Boeren in Zuid-Limburg

Rond 5500 voor Christus vestigden zich al groepjes boeren in Zuid-Limburg, maar hun interactie met de meer noordelijke bewoners bleef zeer beperkt. Het DNA-onderzoek bevestigt dat mensen hier langer doorgingen als voornamelijk jager-verzamelaars. De Limburgse boeren waren afstammelingen van boeren uit het Midden-Oosten: mensen met een zogenaamd Anatolisch genetisch profiel. Hun nazaten trokken in ongeveer 2000 jaar tijd langzaam via Centraal-Europa naar de Lage Landen, aldus Bourgeois.

Rol vrouwen

Een van de opvallendste resultaten betreft de rol van vrouwen in deze vroege contacten. Het beperkte boeren-DNA dat al vroeg in het Rijn-Maasgebied verschijnt, blijkt vooral via vrouwelijke lijnen binnen te komen. Bourgeois: ‘Dit verleden wordt vaak bezien vanuit een mannelijk perspectief, en nu kunnen we op basis van DNA-onderzoek aantonen dat het waarschijnlijk de vrouwen zijn geweest die cruciale kennis over landbouw introduceerden in de samenleving.’

Hurkgraf met het skelet van een 40-jarige man in Oostwoud. Het is het oudste bekende klokbekergraf van de onderzoekers. Bron: Provinciaal Depot voor Archeologie Noord-Holland.
Hurkgraf met het skelet van een 40-jarige man in Oostwoud. Het is het oudste bekende klokbekergraf van de onderzoekers. Bron: Provinciaal Depot voor Archeologie Noord-Holland.

Voedselrijke delta

Waarom is het Rijn-Maasgebied dan zo uitzonderlijk? Een deel van de verklaring ligt waarschijnlijk in het landschap, aldus de Leidse emeritus hoogleraar Harry Fokkens: ‘Jagen en verzamelen bleef langer een belangrijk onderdeel vanwege het voedselrijke deltagebied van de Rijn en de Maas, waar veel voedselbronnen zoals wild, vis, vruchten en zaden samenkomen. Mensen konden hier succesvol hun eten verzamelen.’

De vele waterwegen speelden bovendien een belangrijke rol in sociale netwerken, aldus Fokkens. 'Mensen onderhielden contacten langs rivieren en kustlijnen. Ideeën konden zich zo verspreiden zonder dat hele bevolkingsgroepen hoefden te verhuizen.'

Touwbekercultuur

Rond 3000 voor Christus wordt het verschil extra zichtbaar. In grote delen van Europa verschijnen sporen van de zogeheten Touwbekercultuur: in laat-prehistorische samenlevingen begroeven mensen hun doden vaak individueel en maakten zij aardewerk met kenmerkende touwafdrukken. Deze cultuur hangt volgens de onderzoekers meestal samen met migratie van mensen uit het Oost-Europese steppegebied.

Circulatie ideeën

In het westelijke Rijn-Maasgebied verliep dat anders. Bewoners namen nieuwe vormen van aardewerk en gebruiken over, maar hun genetische profiel bleef grotendeels lokaal, aldus de Leidse archeogeneticus Eveline Altena. ‘Dat laat zien dat culturele vernieuwing niet automatisch samenhing met massamigratie. Gebruiken, technieken en stijlen konden zich snel verspreiden via bestaande netwerken, zonder dat hele bevolkingsgroepen hoefden te verhuizen. Juist grootschalig DNA-onderzoek maakt dit verschil tussen culturele en genetische verandering nu zichtbaar.’

'Culturele vernieuwing hing niet automatisch samen met massamigratie'  

Klokbekercultuur

Pas rond 2500 voor Christus verandert het beeld ingrijpend. Met de opkomst van de zogeheten Klokbekercultuur – herkenbaar aan de gevonden klokvormige bekers en grafrituelen – arriveren nieuwe groepen in het Rijn-Maasgebied. Dan vindt ook hier een duidelijke genetische omslag plaats, ditmaal via zowel mannen als vrouwen. De lokale bevolking verdwijnt echter niet volledig: een deel van hun genetische signatuur blijft aanwezig in de nieuwe gemeenschappen. Dit wijst volgens de onderzoekers op vermenging tussen inkomende groepen uit Centraal-Europa en de inheemse bevolking van het Rijn-Maasgebied.

Verspreiding naar Verenigd Koninkrijk

Die mengvorm blijkt later van grote betekenis, aldus het team. Het onderzoek laat zien dat juist deze bevolking uit het Rijn-Maasgebied een belangrijke rol speelde bij de verdere verspreiding van de Klokbekercultuur, onder meer richting het huidige Verenigd Koninkrijk. Daar ging die verspreiding gepaard met een bijna volledige vervanging van de eerdere bevolking door mensen met een afkomst in het Rijn-Maasgebied. ‘Daarmee heeft het Rijn-Maasgebied twee gezichten', aldus Bourgeois.  'Duizenden jaren lang toonde het gebied een heel eigen patroon, maar uiteindelijk was het ook een regio met een grote invloed op ontwikkelingen elders in Europa.'

Aan het hele onderzoek deden circa 50 wetenschappers mee. De Nature-publicatie heeft vijf hoofdauteurs. De Leidse archeologen Quentin Bourgeois en Harry Fokkens waren verantwoordelijk voor de archeologische interpretatie. LUMC-onderzoeker Eveline Altena, archeogeneticus, onderzocht de genetische data. De andere hoofdonderzoekers zijn (archeo)geneticus Iñigo Olalde van de University of the  Basque Country (Spanje) en (archeo)geneticus David Reich van Harvard University (Boston, USA).  

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.