De vergeten dood van Chinese arbeiders in de Tweede Wereldoorlog
Op 15 april 1942 schoten leden van de Nederlandse militaire politie op Curaçao vijftien Chinese werknemers van Shell dood. Universitair docent Vincent Chang ontvangt een NWO XS-beurs om te onderzoeken hoe dit kon gebeuren en waarom deze Chinese zeelieden na decennia van vergetelheid nu weer worden herdacht.
Wanneer in 1942 zowel Nederland als Nederlands-Indië bezet zijn en de regering is uitgeweken naar Londen, is de Nederlandse positie op het wereldtoneel precair. ‘Het enige wat Nederland rechtstreeks kan bijdragen aan de geallieerde strijd zijn bauxiet uit Suriname, olie die op Curaçao en Aruba tot brandstoffen wordt geraffineerd, en een aanzienlijke vloot koopvaardijschepen die deze grondstoffen transporteren’, somt Chang op.
Cruciale positie
Tijdens de oorlog vervullen naar schatting zo’n 1500 Chinese arbeiders een cruciale rol op de Nederlandse schepen. ‘Zij verrichten het zwaarste werk in het gevaarlijkste gedeelte van de schepen’, zegt Chang. ‘Vanuit slecht geventileerde opslagkamers voeren zij continu kolen aan naar de hete machinekamer, waar ze die op de vuren moeten gooien om stoom te genereren. Een uitputtende taak, die volgens de Nederlandse scheepsofficieren eigenlijk alleen aan Chinese bemanningsleden kan worden overgelaten.’
Op de Nederlandse koopvaardijschepen vallen tijdens de oorlog minstens 540 Chinese slachtoffers door oorlogsgeweld, ongevallen of ziekte. Ondanks hun cruciale rol in de geallieerde transporten en het Nederlandse bondgenootschap met China worden de Chinese arbeiders structureel achtergesteld. Chang: ‘Ze mogen niet aan wal op Curaçao en wanneer enkele schepen in de regio zinken door torpedoaanvallen van Duitse U-boten, worden ze uitgesloten van een oorlogsbonus.’
Staking met dodelijke gevolgen
De ongelijke behandeling leidt er in april 1942 toe dat de Chinese zeelieden hun werk neerleggen, waardoor de voor de Britse en Amerikaanse luchtmachten zo belangrijke olietankers niet kunnen uitvaren. De vierhonderd Chinese zeelieden worden geïnterneerd in een kamp van de Curaçaose Petroleum Maatschappij. ‘Na mislukte onderhandelingen kiezen de koloniale autoriteiten voor een gewapend machtsvertoon’, vertelt Chang. ‘Met behulp van de militaire politie probeert het bestuur de grootste aanjagers te scheiden van de rest van de groep, in de hoop de staking zo de kop in te drukken.’
Het tegenovergestelde gebeurt. ‘We weten niet precies hoe, maar ineens breekt er een oproer uit en worden minstens twaalf Chinezen ter plekke doodgeschoten’, zegt Chang. ‘Vele anderen raken gewond, en enkelen sterven later in het ziekenhuis.’ De volgende ochtend vroeg worden de slachtoffers in stilte begraven in een verzamelgraf op een ongewijd kerkhof voor mensen aan de rand van de samenleving. Chang: ‘De Chinezen op het eiland werden niet ingelicht en kregen geen kans om afscheid te nemen.’
Herdenking?
Het incident krijgt geen plaats in de publieke herinnering van de Tweede Wereldoorlog – niet in Nederland, niet op Curaçao en evenmin in China. ‘Je zou misschien denken dat de Chinese gemeenschap de herinnering aan deze gebeurtenis levend houdt’, stelt Chang. ‘In plaats daarvan is het een groep van intellectuelen, vakbondsleiders, actievoerders en kunstenaars die zich sinds 2002 inspant voor de herdenking van wat zij de “Aprilmoorden” noemen, als middel om het Nederlandse koloniale verleden aan de kaak te stellen en aandacht te vragen voor achterstelling en discriminatie.’
Dankzij hun jarenlange inspanningen is de begraafplaats gerestaureerd, staat er een monument op de plaats van het voormalige kamp en krijgt de gebeurtenis voorzichtig een plek in de herdenking. ‘Dat blijft nog wel een beetje halfslachtig’, zegt Chang. ‘Pas dit jaar is een pilot gedaan om het onderwerp mee te nemen in het Curaçaose onderwijscurriculum, waar het wordt overschaduwd door het slavernijverleden. Eerder heeft de Nederlandse regering een gebaar gemaakt richting de Chinese gemeenschap, maar een vervolg is uitgebleven en het verhaal ontbreekt volledig rond 4 en 5 mei. De Chinese staat is op zijn beurt terughoudend met het uitdragen van deze geschiedenis vanwege gevoeligheden rondom de herdenking, hoewel de interesse onder historici in China toeneemt.’
Direct bijdragen
Chang wil aan de hand van onderzoek in Curaçaose, Nederlandse en Chinese archieven reconstrueren welke gevolgen het tragische voorval heeft gehad. De bredere vraag is hoe samenlevingen en gemeenschappen herinneren, herdenken en vergeten. ‘Tegelijkertijd is de grens tussen waarnemen en deelnemen soms dun bij onderzoek naar herdenkingscultuur’, nuanceert hij. ‘Het spreken of schrijven over dit soort gebeurtenissen heeft direct impact op de publieke herinnering ervan’. Chang voert regelmatig gesprekken met nabestaanden van Chinezen die op de Nederlandse schepen werkten. ‘Laatst heb ik iemand kunnen helpen met informatie over zijn vader, die hij hem zelf tot zijn spijt nooit heeft kunnen vragen. Het is mooi om zo’n gevoel van gemis iets te kunnen verzachten.’
Changs project wordt mede mogelijk gemaakt door een NWO XS-beurs.